Zoveel hoger opgeleiden heeft de kenniseconomie niet nodig

Door technologische vooruitgang heeft de economie steeds meer hoger opgeleiden nodig, wordt gezegd, maar misschien heeft de moderne ‘kenniseconomie’ niet zoveel hoger opgeleiden nodig als we denken. Volgens een publicatie (zie video interview hieronder) van het Political Economy Research Institute (PERI) bestaat de meeste banengroei in de VS uit banen waar geen hogere opleiding voor nodig is.

The Real News interviewde Jeanette-Wicks Lim afgelopen november over haar paper “The Working Poor: A Booming Demographic” (2012). Volgens Lim zit de meeste banengroei in banen waarvoor geen hogere opleiding nodig is. Bovendien, voor 2/3 van de banen waar werknemers nu en het komende decennium van leven is geen hogere opleiding nodig. Een diploma biedt geen garantie op een bijpassende functie en steeds meer hoger opgeleiden behoren tegenwoordig tot de working poor, aldus Lim.

Overigens, In Nederland werkte volgens het CBS (2011) in de periode 2007–2009 ruim een derde van de hoogopgeleide werkzame beroepsbevolking onder zijn of haar opleidingsniveau.

Volgens Associated Press (via RT, 2012)  toont een rapport van Northeastern University dat 53.6 percent van de Amerikaanse afgestudeerden met een bachelortitel onder 25 jaar geen werk heeft of wanhopig op zoek is naar een full-time baan. Dat is des te problematischer gezien de gigantische studieschulden; de totale studieschuld bedraagt inmiddels meer dan een triljoen dollar – hoger dan de totale creditcardschuld, aldus RT.

Welke kenniseconomie?

Waar vroeger een kassière nog moest kunnen hoofdrekenen wordt tegenwoordig alles automatisch uitgerekend door de kassa zélf. In fabrieken is het productieproces steeds meer geautomatiseerd en eenvoudig lopende band werk geworden waardoor werknemers minder technische kennis hoeven te hebben. Veel werk wordt dus steeds makkelijker. Econoom Ha-Joon Chang legt met een paar voorbeelden in het boek 23 things they don’t tell you about capitalism (2012) uit dat geïndustrialiseerde landen door technologische vooruitgang mogelijk vooral meer lager-opgeleiden nodig hebben. Volgens Chang is dat de reden dat er geen enkel empirisch onderzoek een relatie heeft kunnen aantonen tussen het aantal hoger opgeleiden in een land en economische groei.

Daarnaast is er een invloedrijke Marxistische school die betoogt dat bedrijven bewust hun werknemers “de-professionaliseren” door moderne technologieën uit te kiezen die te besturen zijn door laag-opgeleide werknemers – zelfs wanneer deze niet het meest economisch efficiënt zijn – om werknemers makkelijker vervangbaar en dus controleerbaar te maken. Twee papers hierover komen uit de jaren zeventig: Harry Braverman’s “Labor and Monopoly Capital: The Degradation of Work in the Twentieth Century” (1974) en Stephen Marglin’s ‘What do bosses do?’, gepubliceerd in twee delen in The Review of Radical Political Economy in 1974 and 1975 (via Chang, 2012).

Polarisatie arbeidsmarkt: vooral in Nederland, maar niet in heel Europa

Niet dat in de ‘kenniseconomieën’ de vraag naar hoger opgeleiden daalt. De vraag naar hoger opgeleiden stijgt wel degelijk blijkt uit Enrique Fernández-Macías (2012). Echter, in veel landen is er een soort polarisatie op de arbeidsmarkt ontstaan: tegenover de stijgende vraag naar hoger-opgeleiden (en hoog-betaalden) staat een net zo’n sterk stijgende vraag naar lager-opgeleiden (en laag-betaalden). Ondertussen zou technologische vooruitgang vooral de ‘mid-level’ banen hebben geëlimineerd; banen waar met een gemiddeld opleidingsniveau voor een gemiddeld loon wordt gewerkt.

Nederland blijkt de meest perfecte polarisatie te tonen qua lonen: zowel het aanbod van laagbetaalde banen als hoogbetaalde banen is tussen 1995-2007 met zo’n 40 procent toegenomen terwijl het midden nauwelijks groeide (figuur 1). Qua gevraagd opleidingsniveau is er ook een (minder perfecte) polarisatie te zien in Nederland: de vraag naar hoger opgeleiden en naar lager opgeleiden steeg significant terwijl de vraag naar gemiddeld opgeleiden nauwelijks toenam (figuur 2).

Figuur 2 toont echter ook dat tussen 1995-2007 in veel landen – inclusief in Nederland – de vraag naar hoger opgeleiden meer is toegenomen dan de vraag naar lager opgeleiden, vooral in wat Macías de upgrading landen noemt. Heeft de kenniseconomie daar dus toch meer hoger opgeleiden nodig (hoewel niet zoveel als er momenteel afstuderen)? Of speelt diploma-inflatie ook een rol?

Figuur 1. Relatieve verandering in werkgelegenheid per loon kwintiel, 1995-2007 (Macías 2012)

Screen Shot 2012-12-19 at 4.25.09 AM

Figuur 2. Relatieve verandering in werkgelegenheid per opleidings kwintiel, 1995-2007 (Macías 2012)

Screen Shot 2012-12-19 at 4.25.21 AM

Diploma-inflatie

Volgens een rapport van EU-onderzoeksinstituut Cedefop nemen op alle beroepsniveaus de eisen aan werknemers toe. Om een ‘ongeschoolde’ baan te krijgen moeten mensen straks al gauw een middelbare opleiding hebben zegt ook Jules Theeuwes, wetenschappelijk directeur van SEO Economisch Onderzoek (Trouw, 2011).

Diploma-inflatie, zoals Chang (2012) het uitlegt, is een mogelijke verklaring voor de toenemende eisen aan werknemers vanuit werkgevers. Wanneer het aantal gediplomeerden stijgt ontstaat er een soort rat-race waarin iedereen zich gedwongen ziet om ook een diploma te behalen in de competitie om banen, aldus Chang. En om nog boven het maaiveld uit te steken volgen studenten steeds meer extra studies. Maar als iedereen deze strategie volgt worden diploma’s steeds minder waard. Diploma-inflatie dus.

De toenemende vraag naar hoger-opgeleiden in figuur 2 is dan wellicht niet het gevolg van een reële behoefte aan hoger-opgeleiden in onze kenniseconomieën, maar een gevolg van een toenemend aanbod van hoger-opgeleide werkzoekenden die zichzelf overkwalificeren in een rat-race competitie om de beste banen.

Twee heersende ideeën zouden ter discussie gesteld kunnen worden: (1) het idee dat iedereen via een hogere opleiding hogerop kan komen qua werkkwaliteit en loon en (2) gezien de kenniseconomie zoveel hoger opgeleiden niet nodig heeft, het idee dat hoger onderwijs zou moeten worden afgestemd op de wensen van de economie, in plaats van de wensen van studenten zelf.

Meer:

1.533 thoughts on “Zoveel hoger opgeleiden heeft de kenniseconomie niet nodig

  1. Zoals Nico Hirtt schreef in 2011: “[T]he current process will also mean a regression in the quality of basic, compulsory instruction. That does not seem to be a problem for the economic leaders of modern capitalism. They know very well that the markets do not need too many qualified workforces. And they also know that reducing the quality of education is, politically, the easiest way to reduce state expenses for that education. As a document of the OECD pointed in 1996, “If operating expenditure is trimmed, the quantity of service should not be reduced, even if the quality has to suffer. For example, operating credits for schools or universities may be reduced, but it would be dangerous to restrict the number of students. Families will react violently if children are refused admission, but not to a gradual reduction in the quality of the education given, and the school can progressively and for particular purposes obtain a contribution from the families, or eliminate a given activity. This should be done case by case, in one school but not in the neighbouring establishment, so that any general discontent of the population is avoided”. Is that lucidity or cynism? It’s up to you…”

Comments are closed.