Bij Shell werd ik de marxist die ik nu ben

An interesting interview for those attendding the careers day thinking they might make a difference within a big company by Johan Siebers via Trouw .

 

Johan Siebers studeerde filosofie in Nijmegen, promoveerde in Leiden, en meldde zich vervolgens bij een onwaarschijnlijke werkgever: oliebedrijf Shell. Hij kwam uit een onderwijsfamilie en kende de academische wereld inmiddels goed, maar wilde zich als filosoof ook buiten de universiteit laten zien.

“Ik heb zelf bij Shell aangeklopt, er was geen vacature, maar ik was welkom – ze gaven me een algemene adviesfunctie op het hoofdkantoor in Den Haag. Ze zochten een ‘critical companion’, zoals ze het noemden, een luis in de pels.”

Eind jaren negentig was de gedachte, zegt Siebers, dat je meer zou kunnen bereiken door instituties van binnenuit te veranderen dan door ze van buitenaf onder druk te zetten. Shell – dat overigens niet wilde meewerken aan deze artikelenserie – zette Siebers onder meer in op de scenario-afdeling, een denktank binnen het bedrijf. Die produceert eens in de twee of drie jaar een set scenario’s waarin wordt geschetst hoe de wereld zich zou kunnen ontwikkelen. Dat is niet vrijblijvend, alle belangrijke investeringen moeten worden getoetst aan de scenario’s.

U ging naar Shell om de boel te veranderen, waarom?
“Ik hoopte een rol te kunnen spelen in het denken over energie en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven. Er is een conflict tussen de twee doelstellingen van de energiesector: elk jaar meer brandstoffen willen verkopen en tegelijkertijd een factor zijn in de omschakeling van fossiele naar niet-fossiele bronnen. Die spagaat interesseerde mij. Maar uiteindelijk moest ik constateren dat het, voor mij althans, niet mogelijk was om binnen het bedrijf met filosofie bij te dragen aan een oplossing hiervoor.”

Het is ook nogal een organisatie, met een begroting die die van menig land overstijgt.
“Inderdaad, een machtig instituut, met een grote invloed in de wereld, maar bevolkt door individuen die ieder voor zich machteloos zijn. Iemand als Wouter Bos had er ook gezeten, die was general manager geweest van Shell Roemenië – ik moest nog meewerken aan de verkoop daarvan, daar stuitte ik direct al op een ethisch dilemma, want het was duidelijk dat het bedrijf heel belangrijk was voor Roemenië, maar dat speelde geen enkele rol in de afweging van Shell.

“Waar ik ook al snel mee geconfronteerd werd, was de vervreemding in het werk, hoe moeilijk het is een klimaat te creëren waarin mensen het gevoel hebben dat ze zinvol bezig zijn en werkelijk iets betekenen. Ik denk dat ik door mijn jaren bij Shell de marxist ben geworden die ik nu ben.

“Als je mensen individueel spreekt, herkent iedereen de vervreemding, maar het systeem laat zich niet veranderen. Daar stuit je op het conflict tussen het bedrijf als ‘geldmachine’ en als ‘gemeenschap van mensen’. Je ziet dat overal terug, het duidelijkst in de uitholling van het professioneel handelen door het procesmanagement, niet alleen in het bedrijfsleven, maar ook in veel andere sectoren, van de zorg tot het onderwijs.”

Ervoeren de mensen hun werk inderdaad als niet-zinvol?
“Elk jaar werd onderzoek gedaan naar de tevredenheid van het personeel, en daar kwamen altijd uitstekende resultaten uit. Als je bij Shell werkt, heb je ook weinig reden om ontevreden te zijn. Er wordt goed voor je gezorgd. Het werk is niet saai, het is internationaal, avontuurlijk, innovatief, technisch uitdagend.

“Maar toch is er iets aan de hand: de intrinsieke motivatie van mensen kan niet worden ingebed in een breder kader, al probeert het bedrijf dat wel, bijvoorbeeld door het formuleren van expliciete waarden voor het zakelijk handelen. Maar of je succesvol bent, wordt beoordeeld aan de hand van output die er voor jezelf niet toe doet. Er heerst een hovelingen-cultuur, iedereen werkt in dienst van de top, niemand wordt ooit geconfronteerd met de concrete gevolgen van zijn doen en laten. Ook dat is trouwens iets dat zich in veel sectoren voordoet.”

Is dat gewoon het gevolg van schaalgrootte, of kampen mensen met fundamentele twijfel over het nut van de winning van olie en gas?
“Er waren in mijn tijd in elk geval veel jonge mensen, wetenschappers die na hun afstuderen bij Shell terechtkwamen, die zich zeer bewust waren van de milieuproblematiek en mede daarom juist in de olie- en gasindustrie gingen werken. Ik heb prachtige socratische gesprekken georganiseerd over dat soort onderwerpen, maar die reflectie stond toch los van de dagelijkse praktijk.

“Inhoudelijk was het altijd interessant – ik herinner me bijvoorbeeld een aflevering over het begrip ‘waarde’. Maar vervolgens ging men weer snel over tot de orde van de dag. Op individueel vlak was er ruimte voor reflectie, maar collectief gezien had men er weinig boodschap aan.

“Ik wil onze economie niet vergelijken met het fascisme, maar hier gaat in wezen op wat Hannah Arendt beschrijft in ‘De banaliteit van het kwaad’: het grootste kwaad wordt niet door de grootste schurk verricht, maar door de anonieme schakels in het apparaat. Dat is het probleem van de bureaucratie.

“Die analyse, die we terugvinden bij de Frankfurter Schule, is door het postmodernisme uit het zicht verdwenen – alles werd op losse schroeven gezet, geen waarde bleef overeind, en daarmee werd een perfect klimaat geschapen voor het amorele laat-kapitalisme.”

U zegt dat wel, maar bij Shell zullen ze wijzen op hun mission statement, hun codes, hun waarden. Ze erkennen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
“Dat is allemaal waar, alle bedrijven hebben dat tegenwoordig, net als concertgebouwen en voetbalclubs. Shell heeft daarin een baanbrekende rol gespeeld en zelfs een Ethics and Compliance Officer aangesteld. Maar het probleem is niet de compliance, de naleving van de regels. Het probleem is de structuur. Die stelt de morele handelingsmotieven van individuen buiten werking.”

Maar topman Ben van Beurden beroept zich expliciet op de moraal. Shell moet mensen van energie voorzien, dat bevordert hun welzijn, het trekt hele volksstammen uit de armoede, ziekenhuizen kunnen niet zonder. Dat is een morele verplichting en daar hebben we voorlopig nog wel even fossiele brandstoffen voor nodig. Daarnaast erkent hij dat de CO2-uitstoot omlaag moet – ziedaar zijn morele dilemma.
“Zeker, je kunt een morele kwaliteit toekennen aan het beheerst ontwikkelen van economieën. Alles wat de strijd tegen de armoede ten goede komt, kun je een morele plus geven. Maar deze korte-termijnwinst wordt gekocht met een lange-termijnverlies.

“Het zou beter zijn onze economie anders in te richten, zodat onze groei minder afhankelijk is van de exploitatie van de aarde en van onszelf. Dat zou het conflict dat Van Beurden schetst kunnen oplossen. Maar dat doen we niet, het is zelfs vrijwel onmogelijk erover na te denken. Zoals Slavoj Zizek zegt: we kunnen ons het einde van de wereld gemakkelijker voorstellen dan het einde van het kapitalisme.”

John Ashton, jarenlang de Britse regeringsafgevaardigde op klimaatconferenties, schreef in een open brief aan Van Beurden: “Uw bedrijf wordt bevolkt door mensen van goede wil. Maar ook zij kunnen slechte keuzes maken als ze werken binnen een organisatie die vasthoudt aan een slecht idee.” Is dat wat er gaande is?
“Ja, maar vergis je niet: Ben van Beurden heeft niet de macht dat slechte idee overboord te zetten. Hij ziet zich al bij zijn aandeelhouders aankomen, en die aandeelhouders dat zijn wij – via de pensioenfondsen – allemaal. Daarom zeg ik: we moeten het niet hebben van de individuele moraal van mensen als hij. Veel mensen bij Shell zullen oprecht willen bijdragen aan het goede in de wereld. Maar het werkt niet. We moeten de politiek aanspreken, en die zal zich veel meer los moeten maken van de verstrengeling met de grote economische machten.”

Bij Shell zullen ze zeggen: wie is meneer Siebers dat hij denkt te kunnen bepalen wat het juiste tempo is om de winning van fossiele brandstoffen af te bouwen? Wil hij dat de hele economie in elkaar dondert?
“Natuurlijk wil ik dat niet. Maar er is echt wel iets aan de hand met het klimaat en je kunt niet zeggen dat de oliemaatschappijen vooroplopen om daar iets aan te doen. Ze spreken wel over duurzaamheid en dat is een mooi uitgangspunt, maar in ons economisch model betekent duurzaamheid vaak: zorgen dat we langer door kunnen gaan op de ingeslagen weg. We proberen de schadelijke kanten bij te vijlen, maar willen het recept niet veranderen. Maar de vervreemding van onszelf en de natuur zit in het recept ingebakken. En daaraan zie je: Shell is niet zozeer het probleem, het is de samenleving. We hebben nieuwe vormen van samenleven en een nieuwe visie op de toekomst nodig.”